ENIAC - De eerste vacuümbuizencomputer op ware grootte

Vacuümbuizen verhogen de rekencapaciteit

In 1943 beloofden J. Presper Eckert en John Mauchly de snelheidsbeperkingen van elektromechanische computers te overwinnen door een vacuümbuizencomputer te bouwen. Met vacuümbuizen was het immers mogelijk meer dan duizend maal sneller dan met Aikens elektromechanische ASCC te rekenen. De ENIAC ("Electronic Numerical Integrator and Computer") had 22 vacuümbuizen nodig om één cijfer van een getal met 10 cijfers elektronisch weer te geven. Aldus 220 vacuümbuizen voor een getal met 10 cijfers, 8800 vacuümbuizen voor 20 accumulatoren en nog eens meer dan 9.000 vacuümbuizen voor de vermenigvuldiging, deling, in- en uitvoereenheden. In totaal waren 18.000 vacuümbuizen actief tijdens een rekenopgave.

ENIAC-installatie in het HNF

De installatie in de tentoonstelling geeft de dimensies van deze eerste functionerende vacuümbuizencomputer weer. Veertig in U-vorm opgestelde computereenheden namen een oppervlakte van meer dan 80 m2 in. Het eerste "elektronische brein" had een elektrisch vermogen van 150 kW nodig om te kunnen functioneren.

Zijn functionele structuur verschilt dag en nacht met die van de Mark I en zijn opvolger, de EDVAC. De programmering verliep via kabelverbindingen. Tijdens deze programmering, die naargelang het probleem soms dagen innam, werden impulsen van de besturingseenheid (Master Programmer) aan de rekenorganen doorgegeven.

Tot 1955 in gebruik

De ENIAC werd na zijn officiële voorstelling in de Moore School in Aberdeen (Maryland) direct naar een nog steeds bestaand testterrein van het Amerikaanse leger overgeplaatst. Hier zou hij tot 1955 dienst doen. Eén groot deel van de ENIAC staat in het National Museum of American History, Smithsonian Institution, in Washington DC. Een ander groot deel staat in de Moore School for Electronics in Philadelphia.

De laatste nog beschikbare delen van de ENIAC kwamen in oktober 1996 in het HNF terecht. Elk deel is op zijn oorspronkelijke plaats in de installatie aangebracht. Het verschil tussen het prestatievermogen van de ENIAC en een huidige computer werd door het project van de studenten van de Moore School aangetoond. Zij slaagden erin de volledige functionele opbouw van de ENIAC tot één microchip te herleiden.